 |
|
 |

Werken - Schrijven
"Ik heb talent, maar ik ben nu eenmaal geen genie."
[Interview in: Haagse Post 22 september 1979] |
| |
"Wanneer andere vrouwen stofzuigen, 's morgens om negen uur, of bedden opmaken of andijvie wassen, dan zit ik uit het raam te staren. Of ik lig op een bank. Dat staat heel afschuwelijk lui. En niemand wil geloven dat dat werken is. En toch is het werken. Heel hard werken zelfs. Op zo'n moment moet ik me concentreren, want er moet een kindervers worden geschreven. Voor de krant. En het moet op tijd af. Het is mijn vak, het is mijn werk en ik verdien er mijn brood mee. Ik lig dus op die bank en denk: Wat klinkt leuker: Ringel Rangel Ronde, of Ringel Rangel Roezemoes? Soms kan ik een kwartier met zo'n probleem bezig zijn. Eens kwam de schilder mijn kamer behangen en ik zei hem: Gaat u uw gang maar, behangt u rustig verder, als u maar goed vindt dat ik ook verder ga met mijn werk. Natuurlijk, mevrouw, zei de schilder, en hij zag dat ik op de bank ging liggen. Hij vond het wel vreemd en na een uurtje zei hij: Moet u nou niet 's een beetje rusten?"
[Artikel in: EVA nr.37, 1957] |
| |
"Er was een andere schrijfster, die Annie Schmidt heette, en die schreef toevallig ook kinderboeken. Daarom moest dat M.G. er wel tussen"
[Interview in: Het Vrije Volk 25 oktober 1958] |
| |
"Ik was free-lance in die begintijd, had huis, kind, man en hypotheek, zoals iedereen, en ik moest geld verdienen. En dus ook die reclame doen. Ik deed van alles, zoveel dat het me duizelde, alles liep door elkaar. Ik weet nog dat ik een keer met Fiep en een paar meneren in een auto zat die me thuis in Berkel-Rodenrijs zouden afzetten. Ik weet niet meer wie die meneren waren, ik weet alleen dat ik uitstapte en tegen ze zei: "Bedankt voor het thuisbrengen en donderdag heeft u het in de bus." En ik had helemaal niets afgesproken met die mensen, ik had niets met ze te maken, het waren kennissen van Fiep. Ja, ze zullen zich wel afgevraagd hebben wat ze dan van mij in de bus zouden vinden."
[Interview in: Vrij Nederland 13 januari 1990] |
| |
"Ik ben niet literair. Ik hoor d'r niet bij. Ik ben toch geen schrijver, ik ben toch ook geen dichter. Vaak denk ik, ik hoor er niet bij, laat mij nou maar in de hoek zitten van het genreschrijven. Kinderboeken, cabaret, musicals. Een genreschrijver is toch wat anders dan een vrije kunstenaar. Dat meen ik echt. Wat ik maak is toegepaste, of in ieder geval aangepaste kunst. Je houdt altijd rekening met het publiek."
[Interview in: Haagse Post 22 september 1979] |
| |
“Ze kunnen zeggen, we houden niet van het genre. Maar ze moeten me niet aanvallen omdat ik een bepaald soort schrijf. Ze doorzeven me de laatste tijd met verwijten."
[Interview in: Haagse Post 22 september 1979] |
| |
"Als ik het over het vak heb, bedoel ik journalisten, fotografen, filmers, toneelspelers, regisseurs - dat vind ik ons vak. Maar een schrijver die een echte kunstenaar is, iemand die zo 'ins Blaue hinein' kunst zit te maken - dat is iets waar ik niet bij hoor. Néé."
[Interview in: Haagse Post 22 september 1979] |
| |
"Ik schrijf wat ik zelf leuk vind, ik zit vaak te lachen om wat ik schrijf, dan weet ik het is goed. Ik zit in de zaal en wil geamuseerd worden. Dat geldt tevens als een rem."
[Interview in: Vrij Nederland 21 december 1968] |
| |
"In mijn eigen werk heb ik mijn hele leven lang tegen de makkelijke lach gevochten."
[Interview in: NRC Handelsblad 4 augustus 1984] |
| |
"Op 'n verhulde manier stop ik altijd wel iets kritisch in mijn boeken, maar niet dat het er dik bovenop ligt"
"Als je een sterk thema neemt is het te beladen. Als het een politiek thema is, dan mag je er niet een luchtige komedie van maken, daar mag je niet om schaterlachen. Iets dat heel anders is dat mag toch niet in Nederland. Dat is obsceen. Wat dat betreft is de intelligentsia net zo calvinistisch als de gereformeerden op het platteland. Ik vind het fijn als mensen lachen."
"Ik ben zelf 'n kind als ik aan het schrijven ben. Van een jaar of acht."
[Interview in: Het parool 25 maart 1965] |
| |
"Ik vind niets meer fijn wat ik geschreven heb. Alleen wat ik ga doen dat is geweldig. Wat eenmaal af is, is vervelend. Het is net of het verzuurt, het is muf. Ik zou wel tot mijn negentigste willen blijven doorschrijven. Maar misschien word ik wel seniel, dat weet je niet."
[Interview in: Beatrijs nr. 3, 1967] |
| |
"Niemand is ooit zeker en ik ben altijd een van de onzekerste mensen geweest die je je in kunt denken, dus ze hoeven maar boe tegen me te roepen en ik schrijf nooit meer wat, bij wijze van spreken. Maar die onzekerheid hoort wel bij het schrijverschap."
"Soms zit ik dagen lang te urmen en te turmen voor iets op papier staat en dat kan een kwelling zijn. Soms ga ik dan naar een tentoonstelling of ik luister naar muziek en dan kan die inspiratie indirect zijn. Ik heb ook altijd potloodjes en een stukje papier in mijn tas zitten, zodat ik vlug even iets op kan schrijven. Dat gebeurt ook vaak 's nachts."
[Interview in: Beatrijs nr. 3, 1967] |
| |
"Het is fijn als ik een datum heb, heerlijk vind ik dat - ik krijg het wel benauwd, maar als ik geen deadline heb schrijf ik niet meer, dan hou ik er mee op, ga in de zon zitten of een reisje maken."
[Interview in: Haagse Courant 14 februari 1981] |
| |
"Het schrijven als bezigheid is zelden aangenaam. Het is een hoop getob en een heleboel uitstellen. Geblokkeerd zijn. En dan, op een gegeven moment, komt er wel iets en dan ben ik ontzettend gelukkig. Daarboven kan ik eigenlijk niets meer stellen. Een inval, die paar regels! Dat is één van de heerlijkste dingen die je kan overkomen."
[Interview in: NRC Handelsblad 14 oktober 1988] |
| |
"Al mijn boeken voor kinderen zijn sprookjes. Ik leef me er ook helemaal in. Ik herinner me nog 'Minoes'. Dat gaat over een Dame die een poes was. Ze was doodsbang voor honden, als ze er een zag, klom ze in een boom. Ik kwam op een dag in de tuin van onze buurman, die had een hond. Op dat moment was ik een kat, ik liep door die tuin als een kat, ik keek rond als een kat en ik was doodsbang dat de hond van de buurman me zou bijten, hoewel ik zelf niet bang voor honden ben."
[Interview in: Margriet 9 oktober 1981] |
| |
"Ik heb een scène geschreven die ging over een zoon-moeder verhouding. Maar het waren mensen uit een heel ander milieu, sociaal veel lager. Daarmee wou ik de hardheid erin brengen, zoals in het moderne toneel. ‘t Werd allemaal onwaar, als je voelt dat het onwaar is... dan is het verkeerd, moet het in de prullenbak."
[Interview in: Vrij Nederland 21 december 1968] |
| |
"Schrijven is voor mij een escape, Wolkers kan 2600 keer over z'n thuis schrijven om ervan los te komen. Ik neem vleugeltjes en vlieg eruit weg, ik ben escapist. Als ik dat niet doe wordt het onwaar. En voor één ding ben ik verschrikkelijk bang, dat m'n werk niet echt is. Mijn man heeft daar een goed gevoel voor. Hij zegt, nou wil je toch een literaire kant uit, meedoen... dat is toch niet helemaal wat je bent. Dat is het, je moet wachten op wat uit je zelf komt, meer komt er niet uit mij."
[Interview in: Vrij Nederland 21 december 1968] |
| |
"Ik noem graag concrete zaken en plaatsen in een tragisch of poëtisch gegeven, want anders word je sentimenteel. En dan, je moet altijd oppassen dat de mensen niet in slaap vallen: je moet het over hele concrete zaken hebben, zodat de mensen denken: hé, ze heeft het over een pedaalemmer of de Balearen, wat is daar? Dat is een techniek, een foefie van me."
[Citaat uit artikel over AMG in: Vrij Nederland
27 mei 1995] |
| |
“Voor die verzamelbundels hebben Reinold Kuipers en Tine van Buul me alle gedichten en versjes voorgelezen en dan zou ik ze allemaal willen doorschrappen en opnieuw schrijven. Je probeert altijd iets te doen wat je net niet bereikt. En wanneer ik het terugzie weet ik dat ik het niet bereikt heb, omdat ik me nog zo precies herinner wat ik wilde. Ik ben nooit tevreden. Zo is dat."
"Ik voel me erg verwant met Hans Christian Andersen, hoewel ik niet geloof dat ik hem ooit heb nagedaan. Zo zijn er in mijn werk ook sporen te vinden van Lewis Carroll, Edward Lear en Erich Kästner. Dat is de toon waardoor ik beïnvloed ben."
[Interview in: NRC Handelsblad 14 oktober 1988] |
| |
"Mijn ideaal is nog altijd een kinderboek te schrijven, dat zo goed is als Alice in Wonderland."
[Interview in: Haagse Post 22 september 1979] |
| |
“Ik heb niets tegen moeders, maar ze horen niet thuis in een verhaal. Vaders kunnen nog wel. Dat zijn nogal lullige figuren, wel aardig hoor, maar ze zijn nergens toe in staat. Die moeders wil ik er niet bij hebben. Ik denk dat een moeder te opvoederig zou zijn, zelfs al was ze tolerant en makkelijk. Dan zou ik weer bewondering voor haar moeten hebben vanuit mijn hoofdpersoon. Dat zou ik niet kunnen verdragen, want het kind moet zelf de baas zijn, vrij zijn.”
[Interview in: NRC Handelsblad 14 oktober 1988] |
| |
"Dat is een vreemd iets toch, dat ik in die boeken van die vervelende burgermevrouwen neerzet... De mevrouwen zijn gruwelijk en de mannen zijn schatjes. Terwijl het in werkelijkheid zo is, dat ik ontzettend veel vriendinnen heb, van allerlei soort, kleur en maat. Niet altijd wilde types, het zijn soms heel burgerlijke Truzen, maar hele lieve. Het is toch altijd weer de haat tegen het 'lining up to the Jones', tegen de statusjagers. Of de snobs. Intellectuele snobs, gewichtigdoeners, ik kan ze niet uitstaan! Die vertaal ik dan in mijn kinderboeken duidelijk in de onaangename figuren en dat zijn de vrouwen, ja dat is zo. Mijn kinderen zijn nooit stout, het zijn brave Hendrikken eigenlijk, die anderen helpen en goed doen. Het stoute en gekke zit in de bijfiguren."
[Interview in: Margriet 9 oktober 1981] |
| |
"Het schrijven van een liedje is net een puzzel; je voelt dat je gevangen bent in het keurslijf van maat, rijm en ritme en ja, de regels komen dan eigenlijk vanzelf. Proza schrijven heb ik altijd veel moeilijker gevonden."
[Interview in: Libelle nr. 43, 1956] |
| |
"Ja, rijm dat brengt me altijd op ideeën. Dan ga je opeens anders schrijven. Dat is ook merkbaar bij cabaret, er is bijna niets zoals de liedjes. Ik zit als ik ze maak soms te gillen van het lachen."
[Interview in: Vrij Nederland 21 december 1968] |
| |
"Op een dag komen er helemaal van zelf twee regeltjes in je hoofd dansen. Ze zijn als lastige vliegen, niet weg te slaan. Die regeltjes blijven rondtrappelen in je hoofd, op muziek, net zo lang tot je denkt: hé, misschien zit er wel een heel versje aan vast, laat ik er 's aan trekken. En je gaat trekken en trekken aan die regeltjes, en jawel hoor, daar komt een heel versje mee, van twee of drie coupletjes. Dat versje heb je niet gemaakt, nee, het zat er al; het zal al in je te wachten. Zulke geboren versjes zijn de echte. Maar ze zijn schaars. Versjes worden maar zelden kant en klaar geboren. Meestal komt er, wanneer je gaat trekken, enkel een brokstuk mee. De rest moet je er dan bij maken. En dat maken is een kwestie van verzinnen, en van bouwen, regel voor regel, tot het af is. En zo komt het dat de meeste versjes half geboren en half gemaakt zijn. Tenslotte heb je nog de versjes die helemaal gemaakt zijn. Ze kunnen heel leuk worden, maar ze zijn niet echt. Het zijn houten versjes!"
[Wereld van het Jonge Kind nr. 65, 1961] |
| |
"Taal is zo je eigen identiteit. Je zit met honderdduizend taaldraadjes vast aan je jeugd... Die associaties uit je eigen geschiedenis zijn aan taal gebonden en als je dat moet overhevelen naar een andere taal ben je ineens een banneling."
"Kijk, m'n taal is eenvoudig gehouden, opzettelijk. Als ik mijn taal vergelijk met die van Carmiggelt bijvoorbeeld, die prachtige beelden, dan denk ik ja, dat is rijke taal. De mijne is arm, dat is wel in dienst van het doel, maar ik kan er geen bewondering voor hebben."
[Interview in: Vrij Nederland 21 december 1968] |
| |
"Tegen theatermensen zeg ik altijd, dat het schrijven van kinderboeken mijn eigenlijke werk is, terwijl het toneelschrijven meer mijn hobby is. Tegen kinderboekenschrijvers zeg ik het omgekeerde. Dat is het fijne. Zo blijf je altijd dilettant."
[Interview in: Elsevier 23 oktober 1971] |
| |
"Ik ben in zekere zin een heel dom mens, als ik verstandig was zou ik alleen kinderboeken schrijven, maar ik ben nu eenmaal verliefd op het toneel. Ik noem het mijn ongelukkige liefde. Toneel is zo heerlijk om te doen. Ik houd het meest van dialogen schrijven. Maar het is natuurlijk veel riskanter, want daar gaan ze iets mee doen. Er komen zoveel mensen bij te pas: regisseurs, acteurs, noem maar op, die kunnen het allemaal anders interpreteren en ze kunnen het ook bederven. Met de tv is dat risico nog veel groter."
[Interview in: Beatrijs maart 1967] |
| |
"Dat het geen succes heeft, en zo'n man drie ton verliest, dat is 'n doodgriezelig gevoel. Nachtmerries heb ik er soms van. Alsof het nog niet erg genoeg is, worden de bange nachten ook nog vooraf gegaan door zenuwslopende avonden."
[Interview in: Trouw 27 oktober 1973] |
| |
"Werken voor de radio prefereer ik toch boven dat voor de televisie. Bij een radioprogramma werken je teksten direct op de mensen in. Bij de televisie is er zoveel wat kan afleiden: decors, kleding en zo veel meer."
[Interview in: De Waarheid 12 november 1965] |
| |
"Ik wil wel weer es iets voor televisie schrijven. Zoiets als 'Ja zuster, nee zuster'. Voor kinderen èn grote mensen. Maar dan van een kwaliteit als de Muppetshow. Moeilijk, omdat de televisie hier zo slecht werkt. Te weinig repetitietijd, te weinig geld, te weinig goeie mensen - 't is een maffe troep, liederlijk slecht. In het begin zat er nog wel wat in van avontuur, maar dat is er nu helemaal uit."
[Interview in: Haagse Post 22 september 1979] |
| |
"Ik vind theaterwerk zo heerlijk. Plannen maken en brainstormen. Het is zoiets gezamenlijks, er wordt door anderen iets met je werk gedaan. Het is een soort vreemd gaan. Iets dat zondig is om aan toe te geven, omdat mijn echte werk schrijven is."
[Interview in: Het parool 27 september 1988] |
| |
"Ik heb gemerkt dat het vak van toneelschrijver van dat van gewoon schrijver net zo ver af staat als zeg maar, schilder."
[Interview in: Het Vrije Volk 25 oktober 1958] |
| |
"Ook het publiek in het theater heeft heel erg dat 'kinderlijke' van te willen worden meegenomen in de fantasie. En net als voor kinderen moet de taal, als je tenminste een groot publiek wilt bereiken, eenvoudig en direct zijn."
[Interview in: Margriet 9 oktober 1981] |
| |
"De mevrouw op de achterste rij van de zaal. Het is de vrouw van een meneer die bij een groot bedrijf werkt. Ze gaat met haar man mee naar de voorstelling die zo'n bedrijf organiseert. Ja leuk, zegt ze, dan zie ik Truus ook weer, dan doe ik mijn rooie jurk aan, gaan we van tevoren lekker eten en na afloop gezellig praten met Truus en Henk. Het is een uitdaging om zo te schrijven dat die mevrouw bij dat alles ook nog geboeid naar het toneel kijkt. Als je dat probeert, lukt het vaak ook wel."
[Interview in: Trouw 27 oktober 1973] |
| |
"Mijn theaterschrijven heeft te maken met dat verschrikkelijk graag net zo willen zijn als ieder ander - ik wil net zo kijken, voelen, proeven als Truus die naast me woont. Daar kan ik goed mee praten, arbeidersvrouwen, vrouwen uit de midden klasse, dat zijn allerlei soorten buurvrouwen van me, hè. Bij een try-out ga ik ook altijd achterin de zaal zitten om te ondergaan hoe het overkomt op de mensen naast me, want dat zijn allemaal Truusjes en Annies. Lieve mensen, denk ik dan, ik hou van jullie."
"Er zijn acteurs die denken, ik ga op het kompas van dat mens varen dan komt het theater vol. Ze zeggen, schrijf wat voor me, als jij het geschreven hebt heb ik succes. Dat vind ik eng. Ik wil geen macht hebben, ik haat het,vooral als iemand macht over mij heeft. Daarvoor heb ik teveel vrijheidsdrang. Ook tegenover m'n zoon. Als die zou vragen, help me daar es mee, dan zal ik dat nooit doen, dan zeg ik, dat doe je maar zelf."
[Interview in: Vrij Nederland 21 december 1968] |
| |
"In het theater moet alles ontzettend duidelijk. De acteurs moeten al hun expressie gebruiken om over het voetlicht te komen. Theater is een soort grove uitvergroting van wat je bedoelt. Televisie is veel fijner, in verschillende betekenissen van het woord. Daarom vind ik het schrijven voor televisie fijner."
[Interview in: Kijk 10 september 1974] |
| |
"Ik heb het liefst musicals met een hoop show-vertoon, lawaai, klatergoud. Eigenlijk haat ik die vorm van modern toneel, die soberheid, het grauwe decor, de schamele stoel. Nu alles technisch mogelijk is, doen ze zo verschrikkelijk sober. Ik houd van een hoop muziek, feestelijkheid, kinderlijk plezier. Musicals waarbij kosten noch moeite zijn gespaard. Daarom ben ik zo teleurgesteld als, zoals in Amerika, de muziek dan zo cliché is en het verhaaltje, de teksten zo sentimenteel."
[Interview in: Vrij Nederland 21 december 1968] |
| |
"Maar van 'Hair' was ik vreselijk verrukt. Geweldig prachtig, avantgarde, schitterende liedjes. Ik kan me alleen niet voorstellen hoe ze dat in Nederland willen doen. Maar 't is geweldig. Dat moment waarop de jongen afstand doet van z'n mooie lange haar, zich conformeert met de maatschappij van de Shell en naar Vietnam gaat. Adembenemend."
[Interview in: Vrij Nederland 21 december 1968] |
| |
"Ik mag wel zeggen dat ik in Nederland de enige ben die goeie musicals maakt. De rest is allemaal rotzooi. Net zo goed als de t.v. bij mij vooral een rol van ergernis vervult."
[Interview in: NRC Handelsblad 4 augustus 1984] |
| |
"Bij 'Heerlijk duurt het langst' was de rol Conny Stuart op het lijf geschreven. Ik ken haar heel erg goed, ik weet hoe ze zich beweegt, hoe ze spreekt en hoe ze loopt en van daar uit ga je schrijven."
[Interview in: Beatrijs maart 1967] |
| |
"Het is heel kinderlijk wat ik schrijf. Zoals in 'En nu naar bed' gaat het dan wel over erotiek, sex, liefde, topics voor grote mensen, maar het is geschreven met de instelling voor kinderen. De mensen blijven kinderen, vooral in het theater."
[Interview in: Telegraaf 23 februari 1991] |
| |
"Toen ik 'Madam' schreef ben ik naar Yab Yum geweest, kijken hoe dat was met die hoeren. En ik vond dat toch zo lekker! Die zagen er zo prachtig uit allemaal."
[Interview in: Het parool 1 oktober 1992] |
| |
"Nou, wij hebben in 'Madam' ook een solidariteitslied en dat is veel mooier, dan het lied dat werd gezongen door een groep lesbiennes in de hal van het theater. Ze waren woedend, voelden zich gediscrimineerd. Nou ja, dat zal wel, denk ik dan. Terwijl het satire op hun jargon is, daar moeten ze maar gevoel voor hebben. Humorloos zijn ze, dat zit natuurlijk vast aan dat trechtervormig denken, je hebt dat bij alles wat sekte of geloof is."
"Ping Ping ontstond uit mijn schuldgevoel tegenover de armoe."
"Cabaret moet geëngageerd zijn, het hoeft niet per se politiek of maatschappelijk te zijn, maar het moet wel choqueren. Het moet prikkelen. Hoe dan ook, erotisch of politiek. Op de tv zie je vaak van dat verschrikkelijk flauwe geklets, dat nergens op slaat, dat noem ik geen cabaret."
"Journalistencabaret De Inktvis (1947-1953, red.) was een leuke tijd. We schreven de teksten met elkaar en aan de uitvoeringen heb ik heel wat vreugde beleefd. Het beroepscabaret kwam er op af en zo ging ik voor Wim Sonneveld en voor Cor Ruys liedjes schrijven, een heerlijk werk!"
[Interview in: Libelle nr. 43, 1956] |
| |
"Weet u dat ik een paar dagen voor de première van Wim Sonneveld’s cabaret de teksten nog niet klaar had! Sterker nog - eens heb ik een liedje op de avond zelf moeten maken. In de pauze. Tien minuten later ging het voor het voetlicht. Dat zijn spannende dingen."
[Interview in: Libelle nr. 43, 1956] |
| |
"Een opera is wel iets totaal anders dan musical. Er komen geen dialogen in voor. Ieder woord is gezongen, die muziek gaat constant door. Een 'nummer' mag natuurlijk helemaal niet, dat vind hij (componist Kees Olthuis) een obsceen woord. Aria's! Ik vond het wel vreselijk: de klemtonen worden steeds verkeerd gelegd. Bijvoorbeeld - daar ligt een mahahahahahahahahan. Mag dat ook worden - daar ligt een hulpeloze, aangespoelde man? Geen sprake van!"
"Ze hebben me laatst nog eens voorgelezen uit 'Van schuitje varen tot Van Schendel'. Wat een didactisch, opvoederig pestboekie! Hoe kan ik dat in godsnaam geschreven hebben. Die berispende toon tot ouders van, denk erom, je mag je kinderen het goede boek niet onthouden."
[Interview in: NRC Handelsblad 14 oktober 1988] |
| |
"Voor het schrijven van 'Waaidorp' had Wolters Noordhoff (de uitgeverij, red.) niet alleen een redacteur ingehuurd, maar ook nog een psycholoog/pedagoog en die zei: denk erom, het mag geen sprookje wezen. Het moet een realistisch verhaal zijn dat speelt in een soort grote Bijlmermeer, waar veel kinderen zijn, ook zwarte. Dat heb ik toen gedaan, maar met weerzin, want het is mijn stijl en mijn wereld niet."
[Interview in: NRC Handelsblad 14 oktober 1988] |
| |
"Nog altijd is die familie Doorsnee voor mij echt, reëel. Ik zou me niet verbazen, als ik eens op een dag een winkel van kantoorbenodigdheden inging en daar vader Doorsnee achter de toonbank vond. Ik geloof wel in hem, en ook in zijn gezin. Niet altijd. Soms vervagen ze voor me. Als ik dan met Wim Ibo samen het schema zit te maken, waarbij we dan verzinnen wat er in grote trekken moet gebeuren deze keer, dan zijn ze nog een beetje ver-af. Maar zodra ik aan mijn schrijfmachine zit, beginnen ze weer echt te leven en te bewegen en te ruziën. Ik laat ze met elkander praten en luister wat ze tegen elkander zeggen. Soms zeggen ze dingen die ik echt niet heb bedacht. Die ze zelf hebben bedacht. Ze zeggen woorden, die ik nooit uit mezelf gekozen zou hebben. En dan moet ik daar later mijn hoofd over schudden. Vreemd... Denk ik dan... dat hebben zij gezegd."
"En nu komt binnenkort de televisie. Een maandelijks programma schrijven voor de zaterdagavond. Het wordt nu geen familie, het wordt een stelletje mensen in een pension. Pension Hommeles. En in mij groeien langzamerhand allerlei personages. Ik begin al te zien, hoe ze gekleed zullen zijn en wat ze zullen doen. Ik begin al te horen, hoe ze zullen praten. En soms denk ik: ik hoop maar dat het doorgaat, en ik hoop maar dat het goed gaat en dat het niet mislukt. Want stel je voor, dat het niet zou doorgaan, dan zit ik met al die personages in mijn binnenste die ik al begin te kennen. Ik zal ze gestalte moeten geven, anders blijven ze mijn verdere leven in mij mokken, en met hun handen tegen de wand slaan: laat ons er uit!"
"Ik heb 'Jip en Jan-ne-ke' het gemakkelijkste geschreven van al mijn werk. Zo maar midden op de redactie met al die herrie om me heen. Ik schreef het in vijf minuten. En dat is er nog steeds, kinderen zijn er nog steeds gek op, terwijl dingen waar je ontzettend over zat te tobben en te mieren, zo van 'ik kom er niet uit', die verdwijnen dan..."
[Interview in: Margriet 9 oktober 1981] |
| |
"Ik krijg ook kritiek van feministen. Over 'Jip en Jan-ne-ke' bijvoorbeeld. Van die jonge feministische moedertjes, die lezen eruit voor en dan krijg ik vragen en brieven van 'waarom leert Janneke breien?' en 'waarom speelt Jip met autootjes?' Ja, die heb ik meer dan dertig jaar geleden geschreven. Toen speelden jongetjes met autootjes en leerden niet breien en meisjes wel. Er was wel meer toen dat er nu niet meer is. De schillenboer en een kolenhok, wie heeft er nu nog een kolenhok.
[Interview in: Margriet 9 oktober 1981] |
| |
"Herzien, 'Jip en Jan-ne-ke' herzien? Nee, dat moet je niet doen. Ik hou er niet van iets ouds op te lappen."
[Interview in: Margriet 9 oktober 1981] |
| |
"Toen ik voor Wolters-Noordhoff dat boek 'Waaidorp' zou gaan schrijven kwam er namens de uitgever een pedagoog op bezoek omdat ik het moeilijk vond de juiste woorden voor eerste en tweedeklassertjes en de graad van moeilijkheid te bepalen. Die man had een schema bij zich over hoe kinderboeken moesten worden geschreven voor die leeftijd en dat had hij gemaakt aan de hand van .... 'Jip en Jan-ne-ke'. Dat vond ik wel sterk!"
[Interview in: Margriet 9 oktober 1981] |
| |
“Ik weet nog dat de Persil-mensen alles goed vonden en zo direct akkoord gingen met ons financiële voorstel dat we, buiten bij het Leidsebosje, tegen elkaar zeiden: 'ze willen het zó graag, we hadden meer moeten vragen, we hebben ons weer laten belazeren'."
[Interview in: Libelle nr. 43, 1956] |
| |
"Wat betreft de reclameboekjes: we vonden het leuk om wat voor ze te maken, maar de verhaaltjes moesten niet op het artikel slaan. Alleen in de namen zie je het terug, maar daar bleef het bij, want anders vond ik het vervelend en had ik het niet willen doen."
[Interview in: Vrij Nederland 13 januari 1990] |
| |
"Fiep: Toen Annie aan Nutricia voorstelde om haar hoofdpersoon Floddertje te noemen, maakten de mannen van Nutricia bezwaar. Dat kon onmogelijk voor hun produkt, o nee, dat konden ze niet accepteren. Toen wij zeiden dat we het dan niet deden hebben ze het toch goed gevonden."
[Interview in: Vrij Nederland 13 januari 1990] |
| |
"Het werk wordt steeds minder zoet en aardig. Dat geloof ik wel. Het lag aan de opdrachtgevers. Vroeger had ik steeds het idee van: dit is voor kinderen, voor de Libelle of de Margriet, voor het amusement, voor cabaret - dat nog best aardig was in die tijd. Nu heb ik veel meer 't besef: het kan me niks schelen wat ze ervan vinden, ik doe gewoon wat ik zelf wil. Ik heb me in het verleden veel te veel laten leiden. Altijd bang om mensen te kwetsen, dat ben ik altijd geweest."
"Ik vind het al een groot wonder dat sommige kinderboeken die ik heb geschreven het vijfentwintig of dertig jaar uithouden. Eens komt er een eind aan, verdwijnt het. Het is natuurlijk ego-strelend te weten dat die boeken er straks nog zijn, ik ben niet zonder ijdelheid, maar ik ben toch ook zo'n mens dat altijd relativeert."
[Interview in: HN Magazine 23 maart 1985] |
| |
"Ik was laatst op een party met allemaal schrijvers. Ik dacht: ik zit veel liever tussen acteurs. Schrijvers, een klont schrijvers bij mekaar dan, dat vind ik iets gruwelijks, zulke rare mensen - en hoe het komt, weet ik niet. Een soort kinnesinne ook. En ik heb almaar het gevoel dat ze denken: hoeveel zou dat mens nou eigenlijk verdienen? ...Ik heb ook altijd een levensgroot minderwaardigheidsgevoel als ik schrijvers ontmoet."
[Interview in: Haagse Post 22 september 1979] |
| |
"Toneelspelers hebben tenminste eerlijke kinnesinne. Die zijn eerlijk vals. Een veel prettiger soort mensen dan schrijvers."
[Interview in: Haagse Post 22 september 1979] |
| |
"Ze hebben het allemaal druk, de schrijvers, en datgene waar ze mee bezig zijn, moet maandag af wezen. Een heel typisch trekje. Vraagt u maar eens aan een schrijver: Waar bent u mee bezig? Dan zal hij zijn wenkbrauwen zorgelijk bijeentrekken en zeggen: Oh, ik ben met iets bezig en het moet maandag af. Alle gesprekken, die ik met vriendelijke mijnheren heb, eindigen in mijn belofte: Ik zal zorgen dat het maandag klaar is."
|
|