Soms klom ze tijdens de zondagsdienst stiekem
naar boven. Vanaf de torentrans zag ze de schepen op de Wester-
en Oosterschelde, het groene Zuid-Beveland daar tussenin, de weg
naar Wemeldinge en de dijk naar Hansweert met een heel klein busje
erop. Ze ziet de huizen, de boerderijen, het hondenhok en de hond.
Alles heel ver weg.
'En ik voelde me dan zo vrij', schreef Annie, 'als later nooit meer,
nooit meer. De kerk was van mijn vader, met de diakenen en de witgekapte
vrouwen. Maar de toren niet. Die was van de vleermuizen, van de
uilen en van de grote zwarte kraaien. Die behoorde toe aan oude
tijden; die toren had iets heidens, iets wilds, iets tomeloos. Die
toren had iets van wind en van schepen en van zeerovers. Die toren
was van mij.'
|