De vader van Annie was dominee in het dorp Kapelle in Zeeland. Het gezin woonde in
de pastorie tegenover de kerk.
'De straat was geplaveid met grote keien waarover de boerenkarren ratelden,
altijd enkele dampende verse paardevijgen achter zich latend,' schrijft ze in
haar boek Wat ik nog weet. 'Het was de tijd van paard en wagen. Geen
auto's, geen radio, geen televisie. Alleen de notabelen hadden een krant. De
koster die ook doodbidder was, kwam zeggen wie er dood was. Meer hoefde je niet
te weten'.
De andere kinderen in het dorp vonden haar een beetje raar. Een domineesdochter
die geen Zeeuws sprak en niet in klederdracht liep, maar 'stads' gekleed ging.
Ze was erg op zichzelf en speelde bijna nooit buiten.
'Nee, wij waren geen buitenmensen', herinnert ze zich, 'we waren huismussen.
De pastorie was een burcht waarin we ons veilig waanden tegenover de barre wereld
van landbouwers.'
|