|
Hoofdstuk 6: Pruimensoep
'Ik ben te laat. Ik ben op het nippertje...' hijgde vader Blom toen hij met zijn autootje kwam aanrijden bij het grote soepgebouw. De klok stond op vijf voor negen. Hij parkeerde vlug en holde het bordes op. 't Ging allemaal heel vlug: de draaideur door, langs de portier, de lift in, de gangen door en precies om een halve minuut voor negen zat hij puffend achter zijn bureau, in zijn eigen kantoor, netjes op tijd dus.
'Zo...' mompelde vader in zichzelf. 'En nu gauw aan de slag. Ik zal maar beginnen met die hele stapel post.'
Hij greep in zijn zak om z'n bril te pakken en voelde iets zachts. Haartjes.
'Ik ben het maar,' zei een stemmetje.
'Wel alle pietermannen,' riep vader Blom boos. 'Hoe kom jij in mijn zak?'
'Ik wou de soepfabriek zien,' zei Wiplala. 'En toen heb ik me stiekem verstopt in je zak.'
Vader pakte het kleine ventje beet en zette hem voor zich op het bureau.
|