|
Sterfbed
Als we 's zondags uit de kerk kwamen om een uur of half twaalf na een eeuwenlang durende kerkdienst, ging ik meteen naar de keuken, waar het rook naar gebraden vlees en appeltaart in de oven en waar het lekker warm was en waar de poes lag te spinnen bij het fornuis.
Ik moet oppassen, dit wordt een streekroman.
Trouwe dienstbode? Juist ja, de trouwe dienstbode Wanne zat daar en er ging zo'n rust van haar uit.
Gesteven schort? Ja hoor, gesteven schort, hagelwitte muts. Ze stopte een sok? Nee, ze maasde een sok van m'n vader.
Met een maasbal. Ik mocht een pan uitlikken en onderwijl keuvelde ze wat.
Op een van die zondagen zei ze: 'Wat erg he? Van Leentje.' 'Welke Leentje?'
'Leentje Wisse.'
'O, die. Wat is er dan met 'r?'
'Dominee heeft 'r kreupel geslagen,' zei Wanne met een nauwelijks merkbaar lachje van voldoening.
Ik keek haar aan met een open mond vol appeldeeg.
|