|
Langhors en de Majoor
Aan de achterkant van de Petteflet was een plantsoen
met een brede singel. Pluk reed er op een ochtend langs met z'n kraanwagentje.
Plotseling stopte hij. Er was iets heel geks in het water. Hij zag iets
boven de oppervlakte uitsteken. ..het was iets bruins. ..het had een staart.
..lieve help, het achterste van een paard!
'Een verdronken paard...,' mompelde Pluk verslagen. 'Wat vreselijk.' Hij
stapte uit en ging naar de kant.
Jawel, nu zag hij het heel duidelijk. De billen van een paard. En de kop
was niet meer te zien.
'Het arme dier', zei Pluk, 'Zou hij met z'n hoofd in de modder zitten?'
Hij keek om zich heen of er iemand was die hem kon helpen. Maar er waren
op dit moment geen mensen in het plantsoen. Maar nu zag hij een eind verder
nóg iets boven het water uitsteken.
Pluk liep er naar toe. En nu zag hij tot zijn grote verbazing nog een
paard. Ditmaal een paardenkop!
'Twee paarden in de vaart!', riep Pluk.
'Nee, één!', zei de paardenkop.
'Eén?', schreeuwde Pluk. 'Niet waar... twee! Daar verder op zag ik het
achterste van een paard.'
'Dat ben ik óók,' zei het paard bedroefd.
|