|
Over Pluk
Pluk heeft een klein rood kraanwagentje. Hij rijdt
ermee door de hele stad en zoekt een huis om in te wonen. Dan hoort hij
van Dolly de duif dat er een torenkamer leeg staat in de Petteflet. Daar
ontmoet hij onder andere meneer Pen en Zaza de kakkerlak.
‘Pluk ging naar binnen. Het was een hele leuke torenkamer, helemaal rond
met ramen aan alle kanten. Omdat het zo hoog was kon je uitkijken over
de hele stad. Er stond een bed en een stoel en een kast en er was een
vaste wastafel. ‘Denk je dat ik hier zomaar mag wonen?’ vroeg Pluk (...)
Toen hij die avond naar bed ging was hij heel gelukkig. Ik heb een huis,
dacht hij. En ik heb al twee vrienden. Nee, drie.’
En Pluk zal nog veel meer vrienden maken en allerlei problemen oplossen.
Maar het grootste probleem is de Torteltuin. Een verwilderde tuin met
hoge bomen. Grote mensen komen er nooit, maar de kinderen uit de Petteflet
spelen er dikwijls rovertje. Maar de Parkmeester wil de bomen omhakken
en er een tegelpleintje van maken. Pluk en z’n vrienden proberen dat te
voorkomen. Maar eerst redt hij het paard Langhors uit het water.
|