|
'Dat is Fluf,' zei Tibbe. 'De sloeber! Hij
probeert de visgraten uit de vuilnisemmer te halen. En dat terwijl
hij een hele vis heeft gehad. Ik zal maar eens gaan kijken, anders
haalt hij de hele emmer omver en dan kan ik weer gaan vegen.'
Tibbe stond op en deed de deur naar de keuken open.
Hij schrok.
Het was Fluf niet. Het was een juffrouw. De juffrouw uit
de boom, die nu bezig was in zijn vuilnisbak te graaien. Ze kon
maar op een manier binnengekomen zijn... door het dakraam.
Direct toen ze hem hoorde draaide ze zich om. Ze had een grote visgraat
in de bek. Nee nee, in haar mond... dacht Tibbe onmiddellijk,
maar ze leek nu zo vreselijk op een schuwe natte zwerfkat dat Tibbe
bijna had geroepen: 'Kssssj... wil je wegwezen!' Maar hij zei niets.
Ze nam de graat uit haar mond en glimlachte vriendelijk. Haar groene
ogen stonden een beetje scheef.
'Pardon meneer,' zei ze. 'Ik zat hier op uw dak met uw kat Fluf.
En het rook zo heerlijk. Zodoende ben ik door het dakraam geklommen.
Hij zit nog buiten.'
|